Mijnenoorlog, Tunnelgravers en Pioniere, 1915

Een oorlog voeren in mijnen is zonder twijfel een uitstekende manier om officieren op te leiden. Het stimuleert initiatief en persoonlijkheid. Er zijn verschillende problemen die een oplossing nodig hebben. Je moet snel kunnen beslissen. De grilligheid van buskruit en de verschillen in bodemgesteldheid, zorgen ervoor dat je jezelf permanent moet bijscholen. De drang om verrassingen te vermijden stimuleert luisteraars en waarnemers. De afstand inschatten op basis van het geluid sterkt het zelfvertrouwen. En de oude rat in het vak zal op basis van n enkel feit sneller een correcte opinie kunnen vormen dan de beginneling. Aanval en verdediging met mijnen zouden in vredestijd een permanente oefening moeten zijn. De lessen die we eruit kunnen trekken, zijn van onschatbare waarde.

Het begin van de oorlog in loopgraven verraste iedereen. Door het gebrek aan voorraden moest het GHQ zijn strategie radicaal en snel opnieuw uitstippelen. Organisatie, uitrusting en opleiding moesten ze allemaal opnieuw bekijken, net als de tactieken. Tegen het einde van 1914 hielden ze ernstig rekening met een ondergrondse tactiek om uit de toenmalige impasse te raken. Deze zou wel enkel op gelokaliseerd niveau, op het Westelijk Front, plaatsvinden. De eerste Britse mijn diende om een aanval van de Indian Dehra Dun Brigade nabij Festubert, te helpen lanceren. Een holle, twaalf meter lange tunnel werd gegraven tot dicht bij de Duitse linie en die werd geladen met ongeveer honderd kilogram munitie. De mijn zou echter nooit ontploffen, aangezien het vijandelijke mortiergeschut de loopgraaf vernietigde van waaruit hij tot ontploffing moest worden gebracht. Een andere vroege poging vond plaats bij Armentires, net ten zuiden van de Ieperboog. Ik denk dat ik de bouw van de eerste mijn heb meegemaakt. Deze vond plaats in de Rue du Bois op de weg Armentires-Lille waar de linies elkaar ontmoetten. Dit was in januari 1915. De loopgraven lagen slechts 30 meter uit elkaar. Ik was onderofficier bij de 20ste Fortress Company en was met mijn sectie gezonden om een mijn aan te brengen ter
beveiliging van de loopgraaf tegen zogenaamde vijandelijke mijnen. De infanterie zat tot aan hun nek in het water.
Het was een mistroostig zicht. We begonnen een schacht te graven, maar die vulde zich met water, dus pompten we
het uit met handpompen -trekken en duwen. We raakten ongeveer 3 meter diep. Het was hartverscheurend -
ik haatte het. Ik moest echter mijn mannen aan het werk houden. De moffen losten het voor ons op. We maakten
heel wat lawaai bij het schragen [een gespecialiseerde techniek van houtbewerking in tunnels en schachten]. De
moffen tegenover ons waren Saksers, vriendelijke mannen, en ze hielden een bord omhoog waarop te lezen stond:
Heeft geen zin, jullie mijnen. We hebben het geprobeerd. Het lukt niet. Het bericht was in het Engels. Ik
rapporteerde dit aan mijn OC en deze gaf het door aan het HQ en zo stopten we met de mijn.