De Stille oorlog

Hill 60. Elke ploeg ging met 10 tallen kerels naar beneden met geofonen om af te luisteren. Je kon de Duitsers 16 passen naar en 16 passen weg van jou horen wandelen, je kon ze horen spuwen, je kon ze de overtollige aarde horen weggooien bij het graven, enz. We gebruikten de richtingsgegevens van alle afluisteraars in de galerij die ze konden horen, en van waar al deze gegevens samenkwamen konden we heel aardig afleiden waar ze waren.

De ondergrondse oorlog was er vooral n van geheimhouding; een dodelijk spel waarin zowel aanvaller als aangevallene probeerden hun opponent te slim af te zijn door hun bewegingen te voorspellen zonder de eigen bewegingen te verraden - en te doden zonder schuldgevoel, emotie of aarzeling. Er was geen plaats voor ridderlijkheid of mededogen in de mijnenoorlogsvoering; het was doden of gedood worden. Het werk kon nooit haastig gedaan worden. Elk aspect vroeg kalmte, efficintie en stilte want zelfs een onoplettend kuchje kon leiden tot de dood, zij het niet van jezelf, dan wel van anderen. Toegeven aan alarm en paniek wakkerde het wantrouwen bij de kameraden aan en zo iemand werd niet langer bruikbaar. De tunneller moest zich steeds bewust zijn van gevaar, moest steeds even alert zijn, even stil, altijd zichzelf onder controle houden en uiteindelijk ook immer fatalistisch zijn.
Er waren manieren om immuun te worden voor ondergrondse aanvallen zonder zelf ondergronds te moeten gaan; je kon een infanterievoorpost uitsturen zodat er permanent vijandelijke mijnbouwstellingen onder vuur genomen werden; een opeenvolging van zware en aanhoudende bombardementen kon afgevuurd worden in de hoop personeel, schachten en materiaal te beschadigen zodat het werk opgehouden werd; of er kon een raid gehouden worden om alle verdachte sites te vinden en uit te schakelen met mobiele explosieve ladingen. Al deze methoden werden meerdere keren en met wisselend succes toegepast. Eigenlijk was er een vanzelfsprekende, effectieve en inderdaad onmisbare oplossing voor het probleem: je positie achteruit trekken, uit
het bereik van vijandelijke tunnellers en hun mijnen. Zelfs een terugtrekking van 50 meter kon de veiligheid van de
frontlinietroepen garanderen, in ieder geval voor een bepaalde tijd en zou vaak zelfs genoeg geweest zijn om de
meeste vijandelijke plannen, zowel de voltooide als de nog lopende, te doen kelderen.