De heuvelrug laten aardbeven: Mesen, juni 1917

250 Tunnelling Company. OC Captain Cropper vertrokken naar CE. Deze bevelhebber is goed op dreef en begrijpt het groot idee. Vier schachten zijn geplaatst, nog drie te gaan. Boorde tot aan de kleilaag en kent zijn diepte bij aanvang van de werken. Zijn doel is : 4 diepe schachten in de richting van Wytschaete Ridge. Schitterend programma als er voldoende tijd is. OCs 172, 250 onderkennen het belang van de mijnslag. Bovendien zit 175 TC al 180 m diep, en bevindt zich nu onder onze linies, diep in de klei. Het speelt in ons voordeel dat de vijand tegenmijnen moet aanleggen vanaf hoger gelegen gebied dat samengesteld is uit drijfzand en leem dat op de kleilaag rust. Daarbij dienen onze bestaande ondiepe mijnen als afleiding en het is geen enkele compagnie toegestaan om het bestaan van de diepe mijnen te verraden. Vooraleer alles af is, zal de vijand het hoogstwaarschijnlijk nooit in de gaten krijgen.

De heuvelrug van Mesen is een voortzetting van het heuvelgebied van Passendale, net als alle andere hooggelegen gebieden ten noorden en ten oosten van Ieper. Hij vormt een brede vlakke uitloper van de grote boog die loopt vanuit Passendale zelf door Broodseinde, Mount Sorrel, Hill 60, The Bluff en St.-Elooi; en werd uitgekerfd door de werking van de Steenbeek en de Wambeek, die zuidoostwaarts naar de lagergelegen rivier de Douve stromen.
Het dorp Wijtschate - Whitesheet (Wit laken) voor de Britten - ligt bovenaan in het noordelijk deel, terwijl Mesen de zuidelijke uitloper beschermt en neerkijkt op het bos van Ploegsteert, de vallei van de Douve en verderop Frans-Vlaanderen. Met een maximale hoogte van ongeveer 95 meter nam de heuvelrug van Mesen een schitterende controlerende positie in, en hij werd uiteraard sedert de Eerste Slag van Ieper in november 1914 door de Duitsers bezet.
De Duitsers hadden de bovenste hellingen over de volledige lengte zwaar versterkt met een voortzetting van de Flandern Stellung. Dit formidabele systeem van loopgraven en bunkers volgde de glooiing van de hoger gelegen gebieden voor Ieper en krulde zich dan rond de beboste hellingen onder Wijtschate en Mesen. De frontlinies - de Wijtschate Boog - beschreven hier een elegante
boog in de richting van het westen. In de loopgraven waren op regelmatige afstand van elkaar versterkingen
aangebracht, die krijgshaftig over de lagergelegen Britse linies uitkeken. Ze moesten elke frontale aanval verhinderen
en uit elkaar doen vallen. Voor de Britten en hun bondgenoten vormden ze nog maar eens een irritante illustratie van
de Duitse dominantie over de strategisch bestgelegen posities in de Salient. Vanuit de voet van de heuvelrug was het
voor de Britse artillerie niet eenvoudig om de Duitse linies boven op de rug te treffen, en na de recente lessen van
de Somme zag men in dat elke aanval van de infanterie zeer waarschijnlijk op een zware onderneming zou uitdraaien.
Maar de Britten hadden niet de bedoeling om aan te vallen vanuit de traditionele artillerie-infanterie combinatie.